 |
 |
| Roofblei - een nieuw seizoen |
 |
|
|
|
 |
| Na een leerzaam jaar is Willem Stolk het nieuwe seizoen weer vol energie en uiterst gemotiveerd begonnen. Aspius aspius is namelijk niet meer weg te denken uit zijn roofvisvisserij. Willem geeft in onderstaande aan de hand van diverse voorbeelden zijn ervaringen weer over het curieuze gedrag van de roofblei. |
|
|
|
|
| De opening van het vorige seizoen verliep enigszins anders dan voorgaande jaren. Gingen we voorheen speciaal voor de snoekbaars, nu was het anders. De eerste dag stond voor mij in ieder geval in het teken van de roofblei en ook de dagen daarna. Ik wilde eigenlijk wel eens weten of roofblei ook in deze periode van het jaar te vangen zou zijn. Het was voor ons een ‘testcase’ omdat we de jaren ervoor eigenlijk pas begin juli gericht op roofblei begonnen te vissen. Die jaren gaven mij reden om aan te nemen dat we ook meteen bij de start van het seizoen roofblei konden vangen. We vingen toen namelijk ook verschillende roofbleien, maar we besloten toch om voor de snoekbaars te gaan. Welnu, mijn vismaat Chris en ik hadden afgesproken dat we van de eerste twee weken die we hadden gereserveerd om te gaan vissen een week voor de roofblei zouden reserveren. Dit betekende dat we louter plugjes zouden meenemen en geen plastic kunstaas, omdat anders de verleiding te groot zou zijn om toch op snoekbaars te gaan vissen. En zeker als het moeilijk zou worden. Maar de roofblei bleek ons goed gezind. De eerste dag verliep redelijk. We vingen zes forse roofbleien. En dat aantal was bevredigend omdat we niet wisten wat we konden verwachten. Wat direct opviel, was dat de vissen erg mager waren. Een verklaring daarvoor zou kunnen zijn dat er weinig speldaas was, of dat ze nog moesten bijkomen van het paairitueel. Ze hadden namelijk ook nogal wat beschadigingen aan de vinnen, hetgeen we vorig jaar zelden hadden gezien. De paaitijd van de roofblei speelt zich overigens af in de maanden april, mei of juni. Bij voorkeur paaien roofbleien dan op een ondergrond van kiezeltjes. Een volwassen vis legt tussen 50.000 en 300.000 eitjes. Na ongeveer tien dagen komen die uit. De jonge roofbleitjes voeden zich daarna met insectenlarven, maar in grote meren schijnen ze zelfs plankton te eten. Naarmate ze groter worden, gaan ze over op het eten van vis. In Duitsland wordt beweerd dat de echt grote exemplaren zelfs kikkers en kleine eendjes eten. |
|
 |
|
|
| Ze worden steeds groter |
 |
|
|
|
 |
|
|
| Per toeval |
 |
|
Of dat laatste waar is, kan worden betwijfeld, maar verheugend is dat er meer en meer wordt gepraat over het gedrag van de roofblei. Zo gaf Onno Terlouw zijn bevindingen via Dé Roofvis prijs, konden vissers op www.totalfishing.nl hun roofbleivangsten kwijt, vertelde Eddy te Mebel erover en was het recent nog Volkmar Strikkers die zijn ervaringen met het vangen van roofblei in het najaar en de winter met ons deelde. Kortom, langzaam maar zeker kan worden gesteld dat het gericht vissen op roofblei gedurende een groot gedeelte van het jaar mogelijk is. En zo krijg ook ik veel informatie van vissers die, meestal per toeval, roofblei vangen. Van een snoekbaarsvisser die louter met dode visjes vist, kreeg ik te horen dat hij al diverse malen een roofblei had gevangen tijdens het inwerpen. Echt te verbazen hoeft dat niet, want hetzelfde zien wij bij het vissen met kunstaas. Vaak heeft dat nog nauwelijks het water geraakt als het al worden gegrepen. En dan is er het verhaal van een vismaat die tijdens het verticalen net van hengel had gewisseld en zijn tweede hengel opzij had gelegd. Zijn meloengele shadje hing ongeveer 20 centimeter diep in het water. Hij had al enkele keren een vis ver buiten de stroomnaad zien jagen, maar had er verder geen aandacht aan besteed. Plotseling zag hij zijn hengel als een speer verschuiven en hij kon dankzij zijn vismaat, die snel reageerde, zijn hengel nog net grijpen. Na een forse run kwam er een knappe roofblei boven die de hele shad had ingeslikt! Zo dicht bij de boot en met zoveel lawaai van onder andere de elektromotor en het gepraat van de mannen. Hoezo, roofbleien schuw! Dan die SMS. “Willem, ik vang net een prachtige roofblei tijdens het vissen op winde”. Roofbleien worden inderdaad regelmatig gevangen tijdens het witvisvissen, maar dat zijn vaak kleine exemplaren die zich vergrijpen aan een made. In dit geval was hier echter geen sprake van. Deze vismaat viste namelijk op winde met broodkorsten. En behalve de grote roofblei die hij ving, verspeelde hij direct daarna nog een mooie. Wat had deze maat, die bakker van beroep is, met die korsten gedaan? Ook slepend worden zeer regelmatig roofbleien gevangen. Geen tientallen, maar één of twee per dag. Ik denk dat al deze vissen waarschijnlijk op scherp hebben gestaan en alles wilden grijpen dat voorbij kwam. Zelfs een broodkorst. In alle gevallen gaat het hier om een enkele vis of af en toe om twee vissen. Dit curieuze gedrag vertonen soms ook de andere roofvissen. Snoeken worden soms aan boilies gevangen en snoekbaarzen aan een worm of made.
|
|
 |
|
|
| Kennismaking |
 |
Maar roofblei per toeval vangen, heb ik nooit gewild. Ik wilde er van meet af aan gericht op kunnen vissen, hoewel mijn eerste vangst van een roofvis ook per toeval werd geboekt. Dat was zeven jaar geleden. Mijn zoontje en ik waren aan het snoekbaarsvissen op de Rijn en tijdens het verkassen besloot ik om een stukje te gaan slepen. We hadden twee hengeltjes uit met daarop twee kleine plugjes, Taildancers van Rapala. Bijna aangekomen op een andere stek draaide ik de boot enigszins haaks naar een kribvak, deed de motor uit en we kregen beiden plotseling een enigszins vreemde, maar forse aanbeet. Zowel mijn zoontje als ik ving een mooie roofblei. Ik had al eerder het een en ander gelezen over de roofblei in Duitse tijdschriften, maar er nog nooit zelf een gevangen. Maar op de Rijn in Duitsland werd regelmatig ‘Rapfen’ gevangen en ook van behoorlijk formaat. Het was in die zin geen vreemde vis voor me, maar gericht erop gevist had ik nog nooit gedaan. Vanaf dat moment ben ik me meer en meer gaan verdiepen in deze vis. Maar terug naar het vorige seizoen. Zoals gezegd, vormde het begin van het seizoen voor ons een soort experiment. We vingen de eerste dag zes vissen en waren dus flink gemotiveerd. Ook de volgende dagen viel het ons op dat de vissen allemaal mager waren. Tevens vingen we hooguit twee vissen op een stek, terwijl we het jaar ervoor wel tien vissen op een stek konden vangen. Opvallend! In de gesloten tijd had ik genoeg tijd om op zoek te gaan naar kleine plugjes. Plugjes die geschikt zouden kunnen zijn voor de roofblei. Belangrijk daarbij was vooral de loop van de plug door de stroming. Er zijn kleine plugjes genoeg, maar de praktijk leert dat er niet veel plugjes zijn die goed tegen de stroming in kunnen worden gevist. Ik kocht onder andere van het merk Illex enkele zeer goede plugjes van zes en tien gram. Een gewicht van zes gram beschouwde ik als minimum om voldoende ver te kunnen werpen. Ook de vorm was belangrijk, want een klein, lang en slank plugje laat zich erg moeilijk werpen. En zo werd een plugje van Sensas, van het type Cherry en in de kleur ‘bone’, snel favoriet. Dit bolletje oogde eigenlijk helemaal niet, maar de praktijk leerde me dat het wel degelijk een goed stukje kunstaas was. Door de vorm liet het zich ver en precies werpen. Ook liep de Cherry maar zo’n 15 centimeter diep en perfect door de stroming. De eerste roofblei van het seizoen ving ik ermee.
|
|
|
| Meteen na de landing |
 |
|
| De watertemperatuur op de Rijn, Waal, IJssel en Lek schommelde tussen 18 en 20 graden. Het water voelde al lekker warm aan. De vissen die we vingen, grepen op een enkele uitzondering na ons kunstaas meteen na landing. Wat ik hieruit afleid, is dat die vissen op scherp liggen en misschien wel elk kunstaasje grijpen. Chris viste vooral met de Storm Thunder Crank die hij zwart had gemaakt en waarmee hij 11 roofbleien in een week ving. Zelf wisselde ik continu. Bolvormige plugjes, langwerpige, herriemakers; in alle kleuren heb ik ze ingezet, maar blauw stak er met vlag en wimpel bovenuit. Toch bleven wat betreft kleuren twijfels bestaan. Het enige dat ons wel opviel, was dat we maar slechts zelden een roofblei vingen aan felle, fluorescerende kleuren. Maar wat moest ik dan denken van mijn aantekeningen, waarin stond dat andere vissers bij het slepen roofbleien vingen aan pluggen die alle kleuren van de regenboog hadden? Zouden die vissen gewoon op scherp hebben gestaan en zich op dat moment nergens iets van hebben aangetrokken? Ook niet van fluorescerende kleuren? Zou kunnen. Van snoekvissers hoor ik immers soortgelijke verhalen. Als de snoek los is, dan is hij kennelijk met alles te vangen.Na de vierde dag vissen op roofblei viel het ons ook op dat we maar twee snoekbaarzen als bijvangst hadden gevangen. Het jaar ervoor vingen we soms wel 15 snoekbaarzen per dag als bijvangst en dan heb ik het niet eens over de snoeken en vele baarzen. Bovendien viel ons op dat we slechts af en toe wat speldaas konden ontdekken en dat we op die plekken waar dat speldaas zat niets vingen. Lastige rakkers, die roofbleien! |
|
 |
|
|
| Ergonomie |
 |
| En omdat roofblei kennelijk een lastige rakker is, is het natuurlijk een goede zaak als je om meer te weten te kunnen komen over de roofblei een week lang van 06.00 tot 22.00 uur kunt vissen. Het voordeel van die lange dagen is dat je enorm veel worpen kunt maken en de kansen enorm vergroot. Chris telde dat ik ruim 100 keer ingooide in een uur. Dat betekende dat ik dicht in de buurt van 1.000 inworpen per dag kwam. Maar bij een dergelijke inspannende visserij moet alles wel lekker vlot lopen. Zware hengels, grote molens en zwaar kunstaas werken niet. Als je een week continu wilt vissen, moet je toch het een en ander aanpassen. We gebruiken nu hengels van 2 meter voorzien van een perfecte molen of reel met daarop dyneema van 10/00 tot 13/00. Een dergelijke combinatie met vooral ook licht kunstaas is een vereiste. Alles moet in balans zijn. Wat net zo belangrijk is als de combinatie van materialen, is de positie waarin de boot zich bevindt. Ik probeer de boot niet al te ver van de te bevissen stekken te houden. De werpafstand ligt rond 30 meter, omdat ik anders teveel kracht moet zetten. Vooral als het wat harder waait, is het ook van belang dat ik met de wind mee kan werpen. Ook een aanrader daarbij is een zogenaamde sta-stoel. Een standaardstoel in de boot is niet handig, omdat je dan te laag zit en een hele dag staan zonder steun is ook niet echt je van het. Die sta-stoelen zijn draaibaar, kunnen op hoogte worden ingesteld en hebt u eenmaal zo’n stoel, dan wilt u niet anders meer. Ik gebruik deze stoel nu ook altijd tijdens het verticalen in de winter.Maar goed, we waren aan het vissen en kamden alle kribvakken uit. Die eerste dagen ging dat wel goed, maar het werd minder en minder met de vangsten. Ook op de plaatsen waar we de voorgaande dagen vingen, was het niets. We besloten om het geheel anders aan te pakken. We lieten de kribvakken links liggen en concentreerden ons op het water voor en achter de stroomnaad. Geheel buiten verwachting leverde dit ons al snel een aantal vissen op. Het waren ook niet de minste vissen, trouwens. Chris viste met een Cameleon van Rapala in de kleur blauw en ik gebruikte de witte versie. De gewichten van deze plugjes bedragen 10 en 15 gram en werpen uitstekend. De benadering om vanuit een kribvak voor en achter de stroomnaad te vissen beviel ons goed en we visten zowel stroomopwaarts als stroomafwaarts, waarbij we geen verschillen in aantal aanbeten hebben kunnen waarnemen. Wanneer we een plugje ver de rivier op wierpen en niet al te snel terugvisten, kregen we wel de hardste aanbeten. |
|
|
| Nu eens zitten ze in de kribvakken, dan weer in de buurt van de stroomnaad |
 |
|
|
|
 |
|
|
| De dril |
 |
De laatste twee jaar hebben we ook ontdekt dat de dril van een roofblei niet moet worden overschat, maar zeker ook niet onderschat. Snoek kan een plug eenvoudig uit zijn bek werken door flink te schudden met zijn kop. Ook roofblei doet dat. Zodra hij gehaakt is, bestaat de kans dat de vis flink met zijn kop gaat schudden. Onze bevindingen zijn wat dat betreft simpel. We houden de top van de hengel zo laag mogelijk. Een roofblei schudt weliswaar niet zo heftig met zijn kop als een snoek, maar toch scheelt het als de hengel direct na de aanbeet en tijdens de dril laag wordt gehouden. Ook hebben we de slip van de molen niet al te zwaar afgesteld. En zo beginnen wij beetje bij beetje de roofblei te roofblei beter te begrijpen. We zien ook overeenkomsten zien tussen roofblei en de snoek en snoekbaars wat betreft instinct en aasgedrag. Een roofblei eet weliswaar geen brasems van een kilo en zal ook niet snel een Bull Dawg opknagen, maar ik ving vorig jaar wel een roofblei die een klein roofbleitje uitspuugde. De roofblei is dus waarschijnlijk ook kannibalistisch ingesteld. Of een roofblei ook kreeftjes, mosseltjes of andere schaaldiertjes eet? Wie weet, horen we er nog meer van. Tot die tijd gaan we weer verder, met nog voldoende uitdagingen om deze toch curieuze vis te kunnen vangen.
Willem Stolk
|
|
|
| Dril van een roofblei. De hengeltop wordt zo laag mogelijk gehouden. |
 |
|
|
|
 |
|
|
|
 |
 |
|